Spoorloos 

Uitzending 16 november

Een puist

column20091106 SpiegelbolHet begint altijd hetzelfde. Een branderig plekje dat bij aanraking gemeen pijn doet. In eerste instantie is er nog niets. In geen velden of wegen onheil te bekennen. Maar het komt, je weet, het komt. Is het erg? Welnee. Het gebeurt iedereen weleens en je komt er altijd weer bovenop.

Een lichte vorm van schaamte

Maar toch overvalt je een lichte vorm van schaamte wanneer op een ochtend de spiegel onverbiddelijk toont dat het -zover is. Ja hoor. Op de ietwat rood gewollen neusvleugel duidelijk waarneembaar. De puist. Ik zal mij niet verliezen in details – u moet misschien nog eten –, maar fijn is het niet. Vooral niet omdat we aan het werk zijn en de filmerij in volle gang is. Daarom rommel ik zenuwachtig in mijn toilettas op zoek naar de betadine.

Tsjonge, wat een joekel!

De eerste fout die in dit soort omstandigheden altijd wordt gemaakt. Ik ga eraan prutsen. Uitknijpen, jodium erop, niet meer aan denken. Aan het ontbijt blijkt al meteen dat de operatie mislukt is. Wat er met mijn neus is? Deze vraag wordt met ingehouden lach meteen gesteld. Er is niets, probeer ik dan nog even. Tsjonge, wat een joekel wordt dat, krijg ik onmiddellijk terug. Die zal er lekker uitzien op beeld.

Nu kan ik niet meer in beeld

Want dat is natuurlijk het grote probleem. De zoektocht is in volle gang en nu kan ik niet meer in beeld. Althans niet met de gehavende helft van mijn gezicht. Want ondanks mijn eerdere badkameringreep steekt het ding razendsnel de kop weer op. Ik loop voor schut. Het enige wat ik kan doen is er bij elke opname aandachtig een vinger op houden. Maar het maakt onzeker. Wie zijn neus schendt, kan het beste maar in bed blijven.

Aanstellerij

In het centrum van Santiago de Chili is het gezellig druk. Het Plaza de Armas zit vol zoenende stelletjes en zuipende zwervers. Kinderen worden rondgetrokken op een houten paardje. Voor de foto. Samen met mijn puist loop ik naar het gemeentehuis. De vinger voortdurend op de afgesproken plaats. Maar na een paar minuten word ik me pijnlijk bewust van mijn aanstellerij. De man op het bankje voor het postkantoor zwaait zijn open been vrolijk in het rond. Een morsige kerel toont zijn bizar gezwollen rechterarm, terwijl hij met links een fles aguardiente aan de mond zet. En wat te denken van de schoenpoetser van wie vrijwel de gehele neus is verdwenen. Lachend biedt hij zijn diensten aan. Onder deze omstandigheden zie ik niet veel reden om mijn gebrek nog langer te verbergen. Zelfverzekerd loop ik verder. De roodgezwollen neus fier in de wind. Laat ze maar lachen, het kan altijd erger.

Derk Bolt